Een echt wit dorp, zo'n 700 meter hoog, geleund tegen de voet van de sierras van Camarolos en Jobo, waar de grote kalkstenen boog oprijst in wanden van bleke rots boven een zee van olijfbomen. De witgekalkte huizen kronkelen door smalle straatjes die tegen de flank van de berg omhoogklimmen, en vanaf bijna elke hoek zie je de toppen —de Chamizo raakt de 1.637 meter— van kleur veranderen naarmate de dag vordert.
Het is een rustig, hardwerkend dorp van iets meer dan drieduizend inwoners, dat in het begin van de 18e eeuw ontstond als Puebla del Saucedo, naar de wilgen die langs het water groeiden. En water is er in overvloed: op een wandeling van het centrum ontspringt El Nacimiento, een bron uit de sierra die in kleine watervallen naar beneden stort en het leven geeft aan de Río Cerezo. In de omgeving bewaren de rotsschuilplaatsen van Camarolos rotstekeningen en Visigotische grafvelden, verborgen tussen de steeneiken.
Hier volgt het leven zijn eigen ritme. De ochtenden ruiken naar vers brood en koffie op het plein; 's middags gaan de rolluiken omlaag en houdt het dorp siësta; bij het vallen van de avond zetten de buren hun stoelen voor de deur en vult de avondwandeling zich met begroetingen. Niemand heeft haast, en die rust werkt meteen aanstekelijk.
In de bars rond het plein krijg je de tapa nog gratis bij de wijn, en men kookt met wat het land geeft: de olijfolie uit precies deze gaarden, het vlees van de winterse matanza —chorizo, bloedworst, varkenshaas—, konijn met rijst, wilde asperges en tagarnina-distels van het veld, paddenstoelen in de herfst. Als 7 oktober aanbreekt loopt het hele dorp uit voor de Virgen del Rosario, en in de lente stuurt het feest van San Marcos iedereen het platteland op om in de openlucht te eten.
Dit is geen decor voor toeristen en geen ansichtkaartdorp: het is het authentieke, ongehaaste Andalusië dat je bijna nergens meer vindt — met wandelpaden die bij de laatste straat beginnen (de Gran Senda de Málaga loopt er dwars doorheen) en dat vanaf de allereerste nacht jouw buurt wordt.